Cascade en Fontein

Jongleren geleerd op mijn zevenenveertigste, boven het logeerbed in Darmstadt: van drie ballen naar vijf, met elke vangst geturfd.

Drie ballen boven het bed

11 januari 2025 · 3 min lezen

De cascade is het eerste patroon dat iedereen leert: drie ballen die elk afwisselend van de ene hand naar de andere gaan, in een liggend achtje. Het staat in elk boekje, en elk boekje zegt hetzelfde: begin met één bal. Gooi hem van links naar rechts, tot net boven ooghoogte, en weer terug, met een boog die er bij beide handen hetzelfde uitziet. Dat lijkt kinderachtig, maar het duurde bij mij twee avonden voordat de boog van mijn linkerhand niet meer scheef was.

Daarna twee ballen. Gooi de eerste, en op het moment dat die op zijn hoogste punt is, gooi je de tweede eronderdoor naar de andere kant. Vangen, stoppen, opnieuw. Het belangrijkste is dat je de tweede bal echt gooit, ook als je bang bent de eerste te missen. Wie wacht, gooit niet, en wie niet gooit, leert de cascade nooit.

Ik oefende boven het logeerbed, omdat een gevallen bal dan niet onder de kast rolt en ik niet hoef te bukken. Bukken is na honderd mislukte pogingen het vermoeiendste deel van jongleren. Ik stond met mijn knieën tegen de rand van het bed en gooide richting het plafond, dat precies hoog genoeg is.

Na vier avonden kwam de derde bal erbij. Ik heb elke avond een kwartier geoefend en mijn beste reeks van die avond opgeschreven:

Die honderd kwamen vanavond, met de deur dicht, omdat mijn dochter vond dat ik er gek uitzag. Mijn ballen liepen lang naar voren weg, zodat ik na twintig vangsten tegen het bed stond te leunen. Een tip van internet hielp: oefen met je neus een halve meter voor een muur. Wie naar voren gooit, raakt de muur. Na twee avonden voor de kast in de gang bleven de ballen op hun plaats.