Drie knotsen en een lamp met een deukje
Knotsen zijn iets heel anders dan ballen. Een bal hoef je alleen te gooien en te vangen; een knots draait in de lucht, en je moet hem bij het handvat vangen, niet bij de dikke kant. De basis is de enkele draai: de knots maakt precies één omwenteling tussen de ene hand en de andere. Te veel kracht uit de pols, en hij draait anderhalf keer en komt met de dikke kant in je hand. Te weinig, en je vangt de bovenkant.
Ik begon in januari met één knots, van hand naar hand, net als met de bal, honderden keren, tot de draai er bij beide handen hetzelfde uitzag. Dat ging redelijk. Met twee knotsen ging het moeizamer. De derde maakte het pas echt spannend, en op de derde avond in de woonkamer raakte een knots die te hoog ging de lamp boven de eettafel. De lamp hangt er nog, met een deukje in de kap, en sinds die avond jongleer ik met knotsen alleen nog buiten.
Buiten is het in januari en februari koud en vroeg donker, dus werd het de zaterdagochtend in de tuin, met handschoenen zonder vingertoppen. Knotsen die vallen, rollen niet weg in het gras, en dat is mooi meegenomen. Wat tegenviel, was de kou: een koude knots doet pijn als je hem op je vingers vangt. Ik heb een week lang een blauwe nagel gehad aan mijn linkermiddelvinger.
Mijn beste reeksen met drie knotsen, steeds op zaterdagochtend:
- half januari: 3 vangsten, dus elke knots één keer;
- begin februari: 9;
- eind februari: 22;
- vandaag: 51.
Op de club zeggen ze dat drie knotsen een paar maanden kost en daarna nooit meer weggaat, net als fietsen. De mensen die het echt kunnen, gooien hun knotsen achteloos over hun schouder of onder hun been door. Ik ben al blij als ze de goede kant op draaien en ik ze bij het handvat vang.